12 september 2017 ruben deddens

(On)gelijke onderwijskansen, kansen op gelijkheid?!

(On)gelijke onderwijskansen, kansen op gelijkheid ?![1]

Slim stapelen, sneller (duaal) opstromen en opnieuw uitlijnen beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs.

Het Nederlandse onderwijs verandert te langzaam en zit sinds 2012 in de z.g. subtop. Andere landen doen het steeds beter, waardoor de prestaties van leerlingen vooruitgaan, terwijl die van ons niet beter gaan rekenen of lezen. Weinig echt zwakke leerlingen en weinig excellente leerlingen. Ziehier het resultaat van het politieke landschap en het onderwijsbeleid. Goed onderwijs lijkt in Nederland vooral middelmatig onderwijs. De beste leerlingen in Nederland scoren zelfs onder het gemiddeld OECD niveau. De verkiezingen komen eraan. Eens kijken of we de discussie over kansengelijkheid in Nederlands niveau (ook internationaal) boven de middelmaat kunnen laten uitstijgen.

Gelijke onderwijskansen

Het vraagstuk van gelijke onderwijskansen is al decennialang gekoppeld aan de onderwijs(stelsel)- discussie in Nederland. De inspectie van het onderwijs memoreerde in haar jaarverslag over 2015 dat de kansenongelijkheid oploopt[2]. Onlangs bleken de politieke partijen in de Tweede Kamer hierover weer eens stevig van mening te verschillen. Nuttig is hierbij onderscheid te maken tussen ‘gelijkheid van kansen’ en ‘gelijkheid van uitkomsten’. Gelijkheid van uitkomsten wordt vooral door sociaaldemocraten[3] als hoogste goed gezien. (Den Uyl: iedere arbeider heeft recht op zijn autootje.)  Kansengelijkheid is een meer liberale invalshoek[4]. Maximaal, het nieuwe normaal aldus staat te lezen in de VVD agenda voor 2016.  Met betrekking tot onderwijs specifieke aspecten van gelijkheid van uitkomsten kun je denken aan de zgn. zesjescultuur: het gevolg van de afkeer van excellentie enerzijds en het bevorderen van onderwijsachterstanden beleid anderzijds: de spreiding van resultaten is dan beperkt. Iedereen doet het even matig. Doorstroming naar het HBO biedt ook niet altijd een garantie: een laag cohortrendement en veel voortijdig schoolverlaters. De studierendementen in het MBO en WO zijn overigens wel verbeterd.

In het hoger beroepsonderwijs daalt het studierendement: van de studenten die in 2005 begonnen, haalde 63 procent binnen vijf jaar een bachelordiploma, van cohort 2009 is dit 57 procent. Vooral de laatste twee jaar halen minder studenten een diploma binnen vijf jaar. Havisten en mbo’ers halen een vergelijkbaar rendement (55 versus 58 procent), het studierendement van de vwo’ers in het hbo ligt wel veel hoger (75 procent). Verder valt op dat havisten met een examencijfer van een 7 of hoger vaker binnen vijf jaar hun diploma halen dan havisten met een lager examencijfer (71 versus 54 procent).

De Staat van het onderwijs, Hoofdlijnen, pagina 15, 2016

Elimineren van verschillen

Het gaat dus om de vraag of onderwijs bij moet dragen aan de gelijkheid van kansen van jongeren?  Let wel: het gaat dan niet om het elimineren van verschillen tussen jongeren als zodanig, maar om het elimineren van verschillen  die niet het gevolg zijn van verschillen in capaciteiten. (Hier komt de relatie met het meritocratisch principe tot uiting.)

Ambitie voor de overheid

De overheid kan daaraan bijdragen via het inrichten van een onderwijsbestel dat voorziet in ’equality of resources’. Hier ligt ook de relatie met toegankelijkheid: het onderwijs is optimaal toegankelijk als we het uitgangspunt van het recht op talentontplooiing koppelen aan het beginsel van het recht op gelijkheid van hulpbronnen. Het meritocratisch principe  hangt dan samen met de mate waarin individuele ambities, oriëntaties en preferenties het verschil maken. De ongelijkheid die daarvan het gevolg is, is moreel te verdedigen en aanvaardbaar.

Als we ervan uitgaan dat de overheid een taak heeft m.b.t. het bevorderen van gelijke kansen, dan ligt het voor de hand om daarbij vooral aan het onderwijs te denken. Inmiddels is uit ongelooflijk veel onderzoek (ook buitenlands) wel duidelijk geworden dat het Nederlandse onderwijsbestel in onvoldoende mate voorziet in gelijke hulpbronnen voor leerlingen/studenten. Er is sprake van relatief grote ongelijkheid in onderwijskansen. Als we ons beperken tot (de overgang van po naar) vo dan gaat het vooral om de volgende aspecten: te vroege selectie, te veel tracking en het grote (status)onderscheid tussen beroepsonderwijs en algemeen onderwijs.  De oorzaken daarvan zijn historisch te traceren en te verklaren.

Meer sociologisch geformuleerd: onderwijs compenseert niet voor afkomst. De onderwijskansen van leerlingen in Nederland worden nog steeds sterk bepaald (voor ong. 40% blijkt uit recent onderzoek ) door afkomst en milieu (bijv. het opleidingsniveau van ouders) en niet alleen door talent en intelligentie.  Het stelsel functioneert blijkt nog steeds, ondanks allerlei beleidsvoornemens en maatregelen, te discrimineren naar afkomst.

Praktijk van gelijke kansen

De kenmerken en doelstellingen ervan zijn ook niet primair gericht op  bevorderen van gelijke kansen. Die doelstellingen zijn vooral: allocatie en selectie voor de arbeidsmarkt en in mindere mate socialisatie. Kenmerken van het bestel zijn outputstandaardisatie (centrale examens, centrale waarderingskaders, eindtoets) en een substantieel aandeel beroepsonderwijs (met een relatief lage maatschappelijke waardering).  Het bestel heeft in hoofdzaak drie maatschappelijke functies: het kwalificeert, differentieert en integreert (de beide laatste functies creëren permanente spanning). De overheid stuurt met het oog daarop vooral op stratificatie, standaardisatie en allocatie.

Effecten overheidsbeleid

Recente ontwikkelingen en verschijnselen die bijdragen aan ongelijke kansen zijn:  het mislukken van het brugklasprincipe, het verdwijnen van brede scholengemeenschappen en daarmee de mogelijkheid tot stapelen, het creëren van categorale onderwijslocaties, de afrekencultuur m.b.t. diplomering en onderwijskwaliteit (scholen gedragen zich risicomijdend) en het verdwijnen tweedekansonderwijs (Leven Lang Leren).

Uit veel onderzoek (o.a. UvMaastricht) is inmiddels duidelijk geworden dat niet zozeer de omvang en aard van de cognitieve vaardigheden (die vooral worden getoetst in de gestandaardiseerde examens en eindtoetsen) van voorspellende waarde zijn voor het later maatschappelijke succes, maar juist de niet-cognitieve capaciteiten (The Big Five)[5].

Juist aan de ontwikkeling van die essentiële individuele eigenschappen en kenmerken wordt door het onderwijs nauwelijks aandacht besteed.  Die ontwikkeling betekent het meer in balans brengen binnen het onderwijscurriculum van cognitieve kennis enerzijds en persoonlijkheidsontwikkeling anderzijds. In didactische zin spreek je dan van meer ruimte voor gepersonaliseerd leren.

Nieuwe aanpak gewenst

Als de doelstelling van het bevorderen van gelijke kansen grotere prioriteit verdient, is de vraag hoe je dat streven kunt operationaliseren? (Zonder dat we in een heilloos besteldebat verzeilen en de geschiedenis weer actualiseren.) Grofweg kan dat op drie niveaus: het bestel, de school en de leerling.

Bestel

Op bestelniveau zijn maatregelen nodig en mogelijk die scholen stimuleren om maatwerk[6] te introduceren en meer gestructureerd aandacht te schenken aan de persoonlijkheidsontwikkeling van de leerling, het gepersonaliseerd leren. Daar wordt inmiddels door de bewindslieden al werk van gemaakt, maar dat kan veel creatiever dan nu het geval is. Wat in ieder geval  ontbreekt, is systematisch beleid dat ook voorziet in een aanpassing van de gestandaardiseerde examens en de wijze waarop scholen bijv. worden beoordeeld via het waarderingskader van de inspectie.  Zo zou  ook de indicator ‘bevorderen gelijke onderwijskansen’ een aspect kunnen zijn bij de beoordeling van scholen.

Het verschil tussen beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs  is qua status substantieel, maar ten principale gradueel. De vraag kan gesteld worden of niet elke leerling, ongeacht niveau, in de gelegenheid gesteld moet worden technische en andere vaardigheden te ontwikkelen. (Vgl. de High schools in British Columbia, Canada)   Dat zou betekenen dat de scholen de ruimte moeten krijgen, ook op havo en vwo-niveau, om beroepsgeoriënteerde vaardigheden te ontwikkelen binnen het programma en zo mogelijk in samenwerking met het mbo en hbo.  Zie ook mijn eerdere BLOG over de “Gelijke kansen en financieel autisme”. (Engberts, mei 2016).

School

Op schoolniveau kunnen scholen worden gestimuleerd om meer ruimte in het programma op te nemen voor het verwerven van individuele vaardigheden door leerlingen en het compenseren van achterstanden (verwerven van sociaal en cultureel kapitaal),  in combinatie met het uitstel van definitieve keuzes (met bijbehorende fuikwerking en ongelijke kansen) door een adequate organisatie en inrichting van het onderwijs. Dat kan door als overheid voorzieningen te treffen die dergelijke keuzes mogelijk en aantrekkelijk maken.  Scholen zouden de ruimte moeten hebben om de resultaten van de verplichte eindtoets bij plaatsing te negeren, omdat ze programmatisch in staat zijn om leerlingen van het po ongedifferentieerd op te nemen en in de loop van een of twee jaar een adequaat (beroeps)keuzeproces door te laten maken. Dat is vooral van belang voor leerlingen uit sociaal zwakkere milieus die meer tijd nodig hebben om hun sociale en culturele tekorten aan te vullen. Dat betekent dat scholen zich moeten kunnen profileren op die aspecten die essentieel zijn voor het principe van gelijke kansen. (Wellicht zijn dat de werkelijk excellente scholen.)

Leerlingen

Op het niveau van de leerlingen blijken vooral gebrek aan motivatie (zie beoordeling van de OECD) en de verveling opvallende verschijnselen, mede als gevolg van  standaardisatie en het principe van de ‘gemiddelde’ leerling waarop de school haar sturingsmiddelen baseert. Uiteraard dragen die verschijnselen bij (vooral in het vmbo) aan de  vergroting van ongelijke kansen. Dat betekent dat het eigenaarschap van het eigen leerproces een essentieel pedagogisch en didactisch principe moet zijn dat complementair is aan de aanpak op stelsel- en schoolorganisatieniveau. Hiervan zijn inmiddels vele voorbeelden bekend. Ook hiervoor geldt dat scholen in deze eigen keuzes moeten kunnen maken en daarbij maximale steun en stimulans van overheid en inspectie ervaren.

 

Einde of nieuw begin ?

Er valt veel te zeggen over het vraagstuk van kansengelijkheid. Veel erover lijkt meer politiek dan inhoudelijk ingegeven. Zoek het als onderwijs daarom vooral in het toepassen van praktische aanknopingspunten:

Stimuleer derhalve slim stapelen, sneller doorstromen, hoger afronden en meer kansen voor het beroepsonderwijs voor alle jongeren.  Deinstitutionalisering van beleid (hoger onderwijs belemmert het MBO, MBO instellingen doen moeilijk naar het VMBO etc.etc.) naar kansen is een weg die nog eens goed doorlopen moet worden, omdat de bekostigingsrituelen bepalender zijn dan welk beleid dan ook. Zorg voor een start van bijv. Associate Degree voor MBO jongeren, versterk de mogelijkheden voor een oriënterende beroepsopleiding aan het HAVO-VWO etc. etc. Zorg voor meer aandacht voor DUAAL onderwijs en een betere opleidingsfocus op de arbeidsmarkt voor werkenden. Kansen te over, ongelijkheid in voldoende mate aanwezig. Voorts valt er nog voldoende te verbeteren in het onderwijs zelf. Inspectierapporten zijn zeer lezenswaardig en leuk, maar anticiperen zelden op toekomstige ontwikkelingen.

Een theoretisch-politieke discussie over kansengelijkheid, die wel leidt tot polarisatie van opvattingen, maar niet tot consensus is echter zonde van de tijd. En “agree to disagree” lijkt kansengelijkheid voor jongeren niet echt verder te brengen. Kansen te over, zowel voor de politiek als het onderwijs. Nu nog meer kansen om deze ook daadwerkelijk te benutten.

[1] Zie het boek van Leo Lenssen, Hoe sterk is de eenzame fietser?, 2012

[2] http://www.destaatvanhetonderwijs.nl/actueel/nieuws/2016/04/13/persbericht

[3]http://www.pvda.nl/berichten/2016/06/Kansenongelijkheid+in+het+onderwijs+te+lijf

[4] http://www.pieterduisenberg.nl/wp-content/uploads/2015/10/Maximaal-het-nieuwe-normaal-def.pdf

[5] De theorie van de Big Five geeft vijf dimensies waarmee het karakter, ofwel de persoonlijkheid, van personen beschreven kan worden door van elk van die dimensies aan te geven of die meer of minder van toepassing is op die persoon. De Big Five is oorspronkelijk gebaseerd op een Amerikaans onderzoek naar het gebruik van alle bijvoeglijk naamwoorden waarmee proefpersonen het karakter van een hun bekende persoon beschreven. Later is dit onderzoek in verschillende (meest Westerse) talen herhaald en ook met meer woordsoorten.

[6] http://leerling2020.nl/

Artikel op Linkedin bekijken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Neem contact op!