12 september 2017 ruben deddens

(H)OES(Z)O: Onderwijs OK, ondanks ongemotiveerde leerlingen!??

OESO rapport positief over onderwijs, maar het kan veel beter.

Een op de 4 leerlingen verveelt zich. Er is een sterke relatie tussen leerprestaties en de motivatie van leerlingen, aldus Minister Bussemaker en Staatssecretaris Dekker. Wanneer we het OESO rapport over het Nederlandse onderwijs[1] moeten geloven is deze relatie in Nederland in ieder geval onvoldoende aanwezig. Prestaties OK, motivatie leerlingen NIET OK, verveling troef.

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) noemde onlangs de economische vooruitzichten voor Nederland positief. De omvang van de Nederlandse economie is weer op het niveau van voor de crisis en de groei is aangetrokken. Dit schrijft de organisatie in het OESO-landenrapport 2016 op 3 maart. Het onderwijsrapport van  16 mei  vervolgt deze jubelkreten. Opgelet dus, want leerlingen in Nederland zijn ongemotiveerd, ondanks het goede rapportcijfer. We pakken de OESO rapporten van het afgelopen jaar erbij.

However, some challenges remain, and the strengths of the Dutch education system need to be sustained and further developed in the context of changing social and labour market requirements. The Netherlands has long succeeded in managing a system with extensive early tracking and multiple tracks, but growing inequity and an increasing rigidity in track placement has led to increased pressure. Student motivation is inadequate and there are too few top performers, given the overall high standards.

OECD rapport Foundations for the Future, The Netherlands 2016

Maart 2016 : De OESO noemt het niveau van vaardigheden van Nederlanders hoog en adviseert veel aandacht te houden voor onderwijs. Minister Kamp: ‘Werknemers hebben inderdaad steeds nieuwe vaardigheden nodig, bijvoorbeeld omdat steeds meer taken worden geautomatiseerd.

Mei 2016 : Het Nederlandse onderwijsstelsel heeft geen fundamentele veranderingen nodig, omdat het in de basis goed werkt. Dat zeggen onderzoekers van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), die op verzoek van het ministerie van Onderwijs het stelsel een jaar lang tegen het licht hielden.

De kwaliteit van examens en scholingsprogramma’s is prima en leerlingen presteren goed, aldus de OESO. Het Nederlandse onderwijssysteem steekt met kop en schouders uit boven stelsels in andere landen[2]. Het is voor het eerst sinds de jaren tachtig dat de OESO zo uitgebreid heeft gekeken naar het Nederlandse onderwijs. Op basis van de conclusies in 1989 toen werd de basisvorming ingevoerd en overigens daarna weer afgeschaft.

 Onvermijdelijke verbeterpunten

Tegelijkertijd constateert de OESO dat er onvermijdelijke verbeterpunten overblijven. De belangrijkste uitdagingen hebben betrekking op:

0. Voor- en vroegschoolse educatie en opvang: Het systeem van voor- en vroegschoolse educatie (vve) en opvangvoorzieningen is weliswaar uitgebreid, maar de kwaliteit kan beter.

  1. Vroege selectie: De OESO constateert dat, hoewel de uitkomsten van ons systeem van vroege selectie relatief goed zijn, het systeem onder druk staat.
  2. Motivatie en excellentie: De motivatie van leerlingen is laag en Nederland kent internationaal gezien weinig echt goed presterende leerlingen.
  3. Leraren: Het gaat aldus de OESO om het ontbreken van systematische begeleidingstrajecten voor startende leraren, differentiatievaardigheden van leraren, het collectieve en samenwerkende leren binnen en tussen scholen en sterke samenwerking tussen lerarenopleidingen en scholen.
  4. Schoolleiders: De OESO constateert dat het belang van goede schoolleiders groot is maar onvoldoende wordt onderkend. Er zijn te grote verschillen in de kwaliteit van schoolleiders.
  5. Kwaliteit in en verantwoording door schoolbesturen: Schoolbesturen in Nederland hebben uitgebreide autonomie maar leveren niet altijd de verantwoording zoals het zou moeten.

Een op de 4 leerlingen verveelt zich ?!

Nederland heeft een in internationaal perspectief zeer laag aandeel tieners met lage taal- en wiskundevaardigheden. Dit sluit aan bij de waardering van de OESO voor het Nederlandse achterstandenbeleid met extra financiering voor achterstandskinderen. Omgaan met talent in het onderwijs kan beter.

Het aandeel toptalenten dat zich verveelt in het VO dat meer dan gehalveerd is tussen 2014 en 2015 (van 56 naar 24 procent). Ook zien we een toename van het aandeel docenten dat aandacht besteedt aan toptalenten in de les tussen 2014 en 2015 (van 85 naar 98 procent in het po en van 52 naar 76 procent in het vo).

OCW 2016

We zien ook, aldus de onderzoekers, dat de motivatie van leerlingen laag is. Dit is zorgelijk omdat er een sterke relatie bestaat tussen motivatie en onderwijsprestaties.

 Minder gemotiveerd, meer ruimte voor talent.

De OESO wijst er specifiek op dat toptalenten in Nederland minder gemotiveerd zijn om te leren dan in andere landen. Daarom is vorig jaar een aantal belangrijke stappen gezet in de verruiming van de mogelijkheden om hen uit te dagen. We proberen, aldus beide bewindslieden van OCW, door (het recht op) maatwerk niet alleen toptalenten maar élke leerling, van praktijkonderwijs tot en met gymnasium, meer op zijn talenten aan te spreken, te stimuleren en het maximale uit zichzelf te halen.[3] Zo is in februari van dit jaar in een brief aan de Tweede Kamer[4] aangekondigd dat leerlingen het expliciete recht krijgen om hun beste vakken op een hoger niveau te volgen.

Motivatie op peil, prestaties verder omhoog?

De veronderstelling van de OESO en de Minister van Onderwijs is dat als de motivatie wordt versterkt de prestaties verder zullen verbeteren. Laten we eens concreter kijken hoe beide bewindslieden dit wensen te doen. In het kort komt het op het volgende neer :

We gaan meer werk maken van opstroom omhoog en verbetering van de doorstroming.

  1. Het recht voor leerlingen om vakken af te sluiten in het voorlaatste leerjaar wordt ingevoerd
  2. het aanbieden van een versneld en verrijkt vwo-diploma en ruimte voor scholen om bijzondere prestaties van leerlingen beter zichtbaar te maken en te belonen, bijvoorbeeld via het judicium cum laude op het diploma.
  3. we proberen door (het recht op) maatwerk niet alleen toptalenten maar élke leerling, van praktijkonderwijs tot en met gymnasium, meer op zijn talenten aan te spreken, te stimuleren en het maximale uit zichzelf te halen.
  4. er komt een lerarenregister, meer investeren in startende docenten, de carrière van leerkrachten en hun professionele ontwikkeling.
  5. We streven niet alleen naar een uitdagend maar ook naar een eigentijds curriculum dat aansluit bij de belevingswereld van kinderen. In het mbo gaat het dan om het beter laten aansluiten van de algemene vakken bij de beroepspraktijk.

De bewindslieden van OCW beperken zich overigens niet alleen tot bovenstaande acties, maar melden ook dat zij initiatieven nemen richting schoolleiders, schoolbesturen. De vraag in het kader van dit artikel is of deze maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan het verbeteren van de motivatie van leerlingen en studenten.

Motivatie, ingewikkelde materie om te beïnvloeden.

Even een kort theoretisch uitstapje : bij onderzoek naar motivatie valt een onderscheid te maken in het gemotiveerde gedrag voor bijvoorbeeld leren op school en de beïnvloedende motiverende factoren, in onderzoek wel motivationele variabelen genoemd. Beter leergedrag zal leiden tot betere leerresultaten is de veronderstelling. Zo ontstaat een model voor zelf-gereguleerd leren. Het standaard model van intrinsieke en extrinsieke motivatie is te simpel zo leert de literatuur. Simons, Dewitte en Lens (2000) laten bijvoorbeeld zien dat activiteiten die extrinsieke motivatie opwekken zeer motiverend kunnen zijn. Een goede leerinterventie kan ook bij extrinsiek gemotiveerde leerlingen tot uitstekende resultaten leiden. Voor het gemak stellen we hier maar vast dat het positief bevorderen van het leergedrag van leerlingen en studenten een positief effect heeft op de prestatiegerichtheid.

Ryan & Deci[5] geven met hun Self-Determination Theory (SDT) een praktische handvat om de verwachting van een hogere motivatie uit te werken. Een lerende is in deze visie niet een vat waar je kennis in moet gieten. SDT vergelijkt de lerende eerder met een spons: hij heeft van nature de neiging kennis op te zuigen zoals een spons water. Je hoeft alleen maar te zorgen dat die neiging niet wordt verstoord en je moet de leeromgeving zo rijk maken dat er genoeg water is om op te zuigen.

Urgentie

Motivatie is een te complex fenomeen om snel overheen te stappen. Het raakt de kern van het leren en die van goed onderwijs. Het OESO rapport legt daarom terecht de nadruk om dit vraagstuk. Maar de vraag is hoe dit te beïnvloeden ?? De afgelopen 20 jaar proberen we dat vooral te doen op basis van governance en branchecodes, de introductie van registers, de zoektocht naar een nieuw curriculum, schaalvergroting en andere bekostigingssystemen, accreditatie[6] en kwaliteitszorgsystemen, opbrengstgericht leren, verscherpt inspectietoezicht etc.etc. Zo op het oog leveren deze maatregelen weinig motivatie-waarde op. In ieder geval niet voor jongeren. Ook de groeiende verwachtingen van de gepersonaliseerde onderwijssystemen zijn niet op voorhand een motivatie-klapper, wellicht meer een marketinginstrument voor ‘beleidscarvers’ en brancheorganisaties.

Onderwijs is ok als internationale middenmoter?

Hoe goed is ons onderwijssysteem als we niet in staat zijn om leerlingen te motiveren, maar wel een goed onderwijscijfer krijgen van de OESO. Vergelijken we bijv. het Nederlandse met het Amerikaanse onderwijssysteem dan is er geen reden om somber te zijn. Afgestudeerden aan Nederlandse MBO’s, HBO’s en universiteiten kunnen meer dan afgestudeerden van hun Amerikaanse equivalenten. Onderzoek laat voorts zien dat het kennisniveau van de gemiddelde Amerikaan lager is dan van de gemiddelde Nederlander. Dat we toch het beeld hebben dat het in de Verenigde Staten beter is, komt omdat goede universiteiten in de V.S. beter zijn dan alle Nederlandse universiteiten.

Nederland is qua te bereiken onderwijsniveau een internationale middenmoter. De beste Nederlandse leerlingen behoren, aldus de WRR in het onvolprezen rapport “De lerende economie”, in geen enkel onderzocht vak tot de internationale top-tien. Het predicaat “excellentie” lost deze achterstand niet op en leidt nog onvoldoende tot meer motivatie binnen het onderwijs.

Talentmanagement en smartphone.

Onderwijs als talentmanagement is niet eenvoudig. Moderne kinderen zijn echter niet eenvoudig te boeien. Jongeren groeien op in een mediacultuur die tot een nieuw patroon van aandacht en uitdaging leidt: in de strijd om de aandacht wint de smartphone het maar al te vaak van de docent. Een weg terug is er niet: simpelweg meer discipline willen introduceren heeft al veel leraren tot wanhoop gebracht. De combinatie van “play, purpose and passion” (Wagner, 2008) is beter dan “” the carrot-and-stick motivation of most classrooms”.

Duidelijk is dat de bewindslieden terecht blij zijn, maar dat hun recepten het motivatieprobleem van leerlingen niet snel zullen oplossen. Schoolleiders en docenten zullen dit samen met ouders, leerlingen en bedrijven en instellingen moeten klaren.

Motivatie-top 10

Motivatieproblemen zijn urgent en vereisen meer aandacht. Daarom een motivatie-urgentielijst, selectief winkelend in de literatuur van de afgelopen jaren, vanzelfsprekend uitgaande van het gegeven dat toepassing hiervan een leerinterventie veroorzaakt die mits goed uitgevoerd positieve effecten heeft op de motivatie van jongeren.

  1. Technologie-intensivering. De ICT revolutie raakt banken, luchtvaart en de detailhandel ingrijpend, maar wordt in het onderwijs vooralsnog teveel beperkt tot digiborden en de aanwezigheid van computers. Digitalisering van de samenleving is net begonnen.
  2. Talentmanagement : kies voor succes van iedereen en niet voor de pedagogie van selectie. Excellentie zal het verschil niet maken, Nederlands onderwijs is goed in middelbaar opgeleiden. Net als Duitsland overigens.
  3. Upgrading docenten : het risico van de z.g. deskilling zorgt voor uitholling van de innovatiekracht van het onderwijs. Upgrading van professionele vaardigheden in alle takken van (onderwijs) sport moet voorkomen dat we uitsluitend opleiden voor een diensteneconomie (vgl. Amerika en Engeland).
  4. Investeer in verbindingen tussen het onderwijs en bedrijfsleven, tussen PO en VO, VMBO en MBO, alsmede tussen HAVO-VWO en het MBO.
  5. Stop met het standaardiseren van alle onderwijstypen[1] en differentiatie te ‘beperken’ tot minors, keuzedelen of keuzevakken. Versterk de differentiatie en profilering tussen scholen onderling en moedig dit aan.
  6. Bevorder een open school en onderwijscultuur : docenten geven graag les met de deur dicht constateren de Inspectie en de WRR.
  7. Investeer meer in gelijkwaardigheid van de leertrajecten voor beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs. Voor een positieve keuze voor het MBO is de start van Associate Degree een must. Vakmanschap vereist economisch een hoger niveau en het niveau op het schoolplein daalt voortdurend.
  8. Werkend leren : in Nederland leer je niet voor een beroep, maar voor de toekomst. In Duitsland bestaan alleen Berufe: een timmerman is net zo goed een beroep als arts. De arts wordt ook via werkend leren opgeleid, werkend leren bevordert de motivatie van de jongere en het vakmanschap.
  9. Zorg voor ruimte voor kwalitatief hoogwaardig en een omvangrijk aanbod aan online-onderwijs. Als Mercedes Benz zijn automonteurs wereldwijd al online bijschoolt, blijft het onderwijs teveel discussiëren over de vaardigheidsnoodzaak voor docenten en leerlingen.
  10. Inspireer en innoveer in ruime mate in scholen : veel scholen werken hard aan profilering. In toenemende mate overstijgt deze de pseudo-marketingachtige kenmerken en dat is goed nieuws. Profilering is echter onvoldoende om kwaliteitsverbetering te borgen.

Het goede nieuws is dat de OESO tevreden is over de kwaliteit van het onderwijs. Natuurlijk is het prettig dat het onderwerp kwaliteit op de maatschappelijke agenda staat. Dat is fijn, nu nog zorgen dat het onderwijs mede door innovatie de motivatie van jongeren verbetert, dan gaan de leerprestaties van alle jongeren vanzelf omhoog. Dat zou het onderwijs pas echt OK en excellent zijn.

Jan Engberts is senior adviseur bij DUAAL-XXL, de netwerkorganisatie voor verbindend leren en werkend leren.

Jan Engberts

jan@duaal-xxl.nl

w  www.duaal-xxl.nl

 

 

[1] http://www.oecd.org/education/education-at-a-glance-19991487.htm

[2] Deze conclusie kan hoe positief bedoeld, ook betekenen dat de andere stelsels een stuk slechter zijn, ondanks het positieve beeld dat de OESO schetst. De WRR onderbouwt dit in haar rapport “Naar een lerende economie” door o.a. te verwijzen naar het feit dat slechts het niveau op het schoolplein stijgt, maar niet in en voor de klas.

[3] Tweede Kamer, 2015/2016, 31289 nr. 285.

[4] Tweede Kamer, 2015/2016, 34000, VIII, nr. 88. 7 Tweede Kamer, 2015/2016, 31524 nr. 256.

[5] Deci, E. L., & Ryan, R. M. (1985). Intrinsic motivation and self-determination in human behavior. New York, NY: Plenum

[6] De Verenigde Staten hebben al vanaf 1922 een stelsel voor accreditatie ingevoerd. Toch kan ongeveer een kwart van de jongeren nauwelijks rekenen of schrijven. Accreditatie lijkt voorts een negatieve invloed op het innovatievermogen van de scholen, vanwege het z.g. ‘vinkjes-management’.

[7] De vraag naar de gewenste verhouding tussen vaardigheden en kennis is, de enorme stapel onderzoeksliteratuur ten spijt meer een kwestie van overtuiging dan van onderbouwing, zie ook Hattie 2009 met vergelijking van 800 metastudies)

Artikel op Linkedin bekijken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Neem contact op!